Wie foto’s van het alledaagse leven van zo’n 50 jaar geleden bekijkt, valt op, dat vrijwel alle volwassenen een hoed op hebben. Zelfs als het Polygoon-journaal (bij de ouderen onder ons nog wel bekend) een voetbalwedstrijd liet zien, zat het voetbalstadion vol met hoeden, met diep treurige of uitzinnige gezichten daaronder als er een doelpunt viel. Toen hoorde een hoed erbij. Sindsdien is er veel veranderd. De hoed is een uitzondering in het straatbeeld geworden. De hoed is er hoogstens voor speciale gelegenheden, zoals een bruiloft, een begrafenis of een kerkdienst. En wat de publieke evenementen betreft, lijkt Prinsjesdag het nuchtere Hollandse equivalent van het Britse Ascot te zijn. Daar wil je met een hoed gezien worden. Vooralsnog zetten we overigens in op Ascot. Meer stijl. Ofschoon onze Nederlandse versie ook zijn charme heeft. Spontaan, maar lelijk mag. Intussen denken we echter wél, dat er over smaak te twisten valt, over wansmaak niet. Sommige hoeden, die met name de dames dragen, zijn op zichzelf best mooi of aardig, maar passen niet bij de rest van de kleding of de persoon. Dus zelfs als leek voelen we op onze Hollandse klompen aan, dat de hoed de persoon, die hem draagt, wél moet passen. Anders gezegd: de hoed wordt steeds meer een expressiemiddel van de drager of (meestal) draagster. De hoed is een verlengde van de drager. De hoed past bij de persoon, is een expressie van die persoon. Die komt dan volstrekt natuurlijk, authentiek over. De hoed is dus geen deel van de normale, uniforme ‘klederdracht’ van 50 jaar geleden meer, maar is een expressiemiddel van de individuele drager geworden. Voor het hoedenmakersvak is dat een revolutie. Geen C&A-tje, maar maatwerk voor de klant. En dat vergt méér dan vakwerk, namelijk inleving in de klant, de toekomstige drager van de hoed.
Op 25 juni 2004 werd de Nederlandse Hoedenvereniging (NHV), opgericht. Drs. Huub A.A. Scholtz, Plaatsvervangend directeur van het Hoofdbedrijfschap Ambachten (HBA) sloeg de stichtingsacte er nog eens op na. Hoofddoel is volgens artikel 2 de hoed terug te brengen in het modebeeld en meer professionaliteit te bevorderen in het hoedenvak en dus bij de hoedenmakers. ‘Een uitstekend initiatief van Ans Apeldoorn, Barbara Teulings en Henriëtte Heijnis, die in de acte worden vermeld. Hulde aan hen, want ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om dit soort initiatieven van de grond te krijgen in branches, die op hun retour lijken. Chapeau dus, om in stijl te blijven’, aldus Scholtz. De hoed is niet meer een knellend kledingstuk. Het gaat vooral om een vorm van individuele expressie. Hier ben ik, is dan de boodschap. Koningin Beatrix en prinses Máxima verstaan die boodschap. Daar moet gebruik van worden gemaakt. Maar dat vraagt méér dan vakmanschap, dat buiten twijfel de basis moet zijn. Namelijk klantgerichtheid en ondernemerschap. Dan pas loont het hoedenmakersvak. Als dat lukt, gaat de NHV - als vertegenwoordiger en platform van het hoedenvak – volgens Scholtz een gouden toekomst tegemoet. Dus niet te bescheiden, zouden we zeggen. Leg echter de nadruk op meer ondernemerschap. Anders sterven uw mooie, vakkundig gemaakte hoeden in schoonheid. De hoedenmakers zijn weliswaar één van de kleinste branches van het HBA, maar met vindt daar, dat dit een branche is, die méér potentie ‘onder de hoed’ heeft. Met de belofte een parel in de kroon van het HBA te worden. Belangrijker nog is, dat de branche zelf een erkend en gezichtsbepalend onderdeel van de Nederlandse, creatieve ambachtseconomie gaat vormen.
Bron: Hoedennieuws


Tijdens de Olympische Spelen wordt met veel belangstelling gekeken naar de prestaties van ‘onze’ jongens en meisjes. Jarenlang is door de sporters geoefend om het hoogst haalbare te bereiken en dat is een Olympische medaille. Soms is het een kwestie van éénhonderdste van een seconde. Goud, zilver en brons geven je aanzien,
Reageer!
Stuur door
Print